Het productie proces door de jaren heen


 

Om van het gefermenteerde tabaksblad een sigaar te maken moet een heel productieproces worden doorlopen. In het onderstaande zal het productieproces nader worden uitgewerkt, waarbij een onderscheid wordt gemaakt naar een aantal niveaus van mechanisering, dat in de loop der jaren te onderscheiden is.

Handwerk: 1830 - 1920

Tot aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd de productie van sigaren vrijwel geheel handmatig uitgevoerd. Er bestonden wel enige eenvoudige machines, maar die werkten in het algemeen weinig doelmatig en verspilden meer tabak dan bij handarbeid gebruikelijk was. De lage loonkosten bevorderden een aanzet tot mechanisatie evenmin. Een van de eerste schreden op weg naar minder handwerk, was het gebruik van een houten persvorm bij het vormen van het bosje, zoals dat in de jaren tachtig van de vorige eeuw algemeen ingang vond. Het modelleren van het bosje hoefde hierdoor minder nauwgezet te gebeuren en kostte dus minder tijd. Bovendien kregen de bosjes een stevigere vorm, waardoor het opdekken vergemakkelijkt werd.

In eerste instantie vond de productie van sigaren volledig in fabrieken plaats, waardoor men toezicht kon houden op de verwerking van de kostbare grondstoffen en de kwaliteit van het eindproduct. Door middel van de grote onderlinge concurrentie tussen de sigarenmakers (t.g.v. het stukloon) kon bovendien een hogere productiviteit gehaald worden dan bij thuisarbeid, en was een strakkere reglementering van de arbeid mogelijk. De snelle groei van de binnenlandse sigarenconsumptie, die tussen 1850 en 1900 vertienvoudigde, schiep een afzetmarkt over het gehele land. Talloze kleinere en grotere firma's gingen zich in de tweede helft van de negentiende eeuw dan ook bezighouden met de productie van sigaren. Zo bleven Amsterdam en Kampen, de eerste plaatsen waar rond 1950 een sigarennijverheid opkwam, belangrijke centra, maar ontstond ook in Eindhoven en omgeving een belangrijke sigarenindustrie. De ondernemers stelden in het algemeen een werkplaats en materiaal ter beschikking, terwijl de sigarenmakers (mannen, vrouwen en kinderen) vaak hun eigen gereedschap meebrachten om er per dag of op stukloon te komen werken. Vrouwen- en kinderarbeid kwam in die dagen op grote schaal voor in de sigarennijverheid; ze vormden in veel gevallen de helft of meer van het fabriekspersoneel.

Het eigenlijke sigaren maken, het vormen van het bosje en het opbrengen van om- en dekblad, was goed betaald vakwerk dat meestal door mannen werd verricht. De sigarenmaker werd bijgestaan door een zogenaamde 'poppenmaker', die het omblad om het binnengoed wikkelde. Werkzaamheden die weinig of geen ervaring en lichaamskracht vereisten, zoals het strippen van de tabak (het verwijderen van de hoofdnerf uit het tabaksblad), het schoonhouden en het inpakken, gebeurden meestal door vrouwen of kinderen.

Eind vorige eeuw ontwikkelden zich vervolgens verschillende vormen van huisindustrie. Zo kochten sigarenmakers in Amsterdam en Rotterdam voor eigen rekening tabak, en slaagden ze er ook in de geproduceerde sigaren zelf te verkopen. Het succes van deze handelwijze werd voornamelijk veroorzaakt door het feit, dat de tabakshandel geconcentreerd was in bovengenoemde steden, terwijl daar bovendien een redelijke vraag naar goede sigaren bestond. Een grote groep thuiswerkende arbeiders kocht zijn grondstoffen daarentegen van een ondernemer, waarna ze op eigen risico werden verwerkt tot sigaren, om tenslotte per stuk aan dezelfde of aan een andere ondernemer verkocht te worden. In de meeste gevallen werkten de thuisarbeiders echter voor een ondernemer, die de grondstof ter beschikking stelde. Het op deze wijze uitbesteden van (een deel van) de productie had voor de ondernemer het voordeel dat zijn investering in productiemiddelen gering bleef: de thuisarbeider betaalde zelf zijn werkruimte en zorgde meestal ook voor andere benodigdheden als messen, stijfsel, licht en verwarming.

Mechanisering: 1920 - 1950

Rond 1920 werd de huisindustrie grotendeels verdrongen. Onder invloed van de eerste collectieve arbeidsovereenkomst voor de sigarenindustrie (1920: één van de eerste cao's in Nederland!) en door de invoering van de accijnswet op tabak (1922) werden er namelijk allerlei eisen gesteld aan de kwaliteit van werkruimtes, en kwam er een verbod op het voor eigen rekening vervaardigen van sigaren door fabriekspersoneel.

Na de Eerste Wereldoorlog kon een grote terugval in de export (met name naar de Oost-Europese landen) niet worden gecompenseerd door een stijging van de binnenlandse vraag. In de jaren twintig en dertig moesten vele bedrijven dan ook sluiten, doordat men op de Nederlandse markt geconfronteerd werd met dalende prijzen en overproductie. Aangezien de grote ondernemingen voldoende geld hadden om te mechaniseren en daardoor goedkoper te produceren, kwamen zij uiteindelijk als overwinnaars uit deze concurrentiestrijd. De tendens tot rationalisatie en mechanisatie werd bovendien versterkt door stijgende lonen en door een verschuiving in de vraag naar goedkopere soorten, die eenvoudig machinaal te vervaardigen waren. Om de mechanisering binnen de sigarenindustrie enigszins af te remmen, kwam in 1936 de zogenaamde Wet ter Beperking van de Mechanisatie in de Sigarenindustrie tot stand, welke tot 1953 in werking bleef. In deze wet werd bepaald, dat machines die vóór de invoeringsdatum van de wet al in de fabrieken aanwezig waren, mochten blijven; nieuwe machines konden echter slechts met een vergunning worden geïnstalleerd.

Aan het eind van de jaren dertig werd ongeveer driekwart van de sigaren productie geheel of gedeeltelijk door middel van mechanische bewerkingen vervaardigd. Het strippen van het binnengoed gebeurde nog vrijwel uitsluitend in kolossale stripmachines, die het tabaksblad zolang walsten en zeefden totdat het kant en klare binnengoed omlaag dwarrelde. Voor de verdere verwerking waren er locker- en mengmachines, waarna het binnengoed via een droogkast naar de bosjesmachine werd getransporteerd. Daar werd het binnengoed in nauwkeurig afgepaste hoeveelheden verdeeld, waarna er machinaal een omblad omheen werd gewikkeld. Het bosje werd vervolgens in een automatische vormmachine geperst en gekeerd, waarna het klaar was voor omwikkeling met het dekblad. Dit laatste was, evenals het sorteren, nog handwerk. Er bestonden echter ook al compleetmachines, die het gehele fabricageproces van voorgesneden tabak tot complete sigaar konden verrichten. Deze machines waren slechts geschikt voor de productie van eenvoudige, rechte modellen.

Na de Tweede Wereldoorlog gebruikten de meeste sigarenfabrieken een groot aantal machines ten behoeve van hun productieproces. Van een continu of volautomatisch proces was echter nog geen sprake: de aanvoer van tabak en de zorg voor de inschakeling en aandrijving van de machines werden nog steeds door mensen geregeld. Een compleetmachine werd bijvoorbeeld bediend door vier personen, die zich voornamelijk bezighielden met de toevoer van tabaksblad en binnengoed.

Het zal duidelijk zijn, dat het werk van de sigarenmaker niet langer bestond uit het vervaardigden van de gehele sigaar. Zijn taak werd meer en meer beperkt tot het uitsnijden en oprollen van het dekblad, terwijl het overige deel van zijn werk werd overgenomen door een machine die door minder geschoold en goedkoper personeel werd bediend. Het aantal (mannelijke) sigarenmakers is van 1920 tot 1950 dan ook sterk afgenomen, terwijl het aantal vrouwelijke arbeidskrachten daarentegen juist toenam.

Automatisering en bobinering: 1950 - heden

De sterke verschuiving in de vraag naar goedkopere soorten zette zich na de Tweede Wereldoorlog onverminderd voort. De productie van senoritas nam een ongekende vlucht, wat mag blijken uit het feit dat de productie van dit model tussen 1955 en 1965 verdrievoudigde. De totale productie nam in die jaren weinig meer toe, zodat de gezamenlijke productie aantallen pas in 1960 de hoogste vooroorlogse productiecijfers overtroffen. Na 1965 kwam er een einde aan de productiestijging, en sindsdien is de productie qua aantallen enigszins gedaald. Deze productie werd bovendien met steeds minder werknemers behaald: tussen 1948 en 1965 werd het aantal arbeidsplaatsen in Nederland bijna gehalveerd, wat zich in de perioden 1965 - 1975 en 1975 - 1982 nog eens herhaalde.

De sterke daling van het aantal arbeidsplaatsen in Nederland wordt voornamelijk veroorzaakt door een steeds verdergaande mechanisering en automatisering van het productieproces. Zo ondergingen rond 1950 de al voor de oorlog aanwezige machines ter vervaardiging van het bosje verdere verbeteringen, terwijl na 1957 de pers-, keer- en droogmachine werd ingevoerd die de houten persvormen overbodig maakte. Rond 1960 kwam bovendien het geprepareerde tabakslint op de markt, dat het opdekken van het omblad als continu proces mogelijk maakte. Dit leidde tot een aanzienlijke arbeidsbesparing en een hogere snelheid van de compleetmachine, terwijl bovendien het interne vervoer en de productielijnen beperkt konden worden. Het uitsnijden van het dekblad bleef echter nog lange tijd handwerk, totdat in de jaren zeventig diverse systemen werden ontwikkeld om het dek- en omblad machinaal te stansen. Sinds enige jaren worden deze machines in landen als Malta, Sri Lanka en de Dominicaanse Republiek geplaatst, zodat de toch nog vrij arbeidsintensieve bewerkingen tegen lagere loonkosten kunnen worden verricht. De gestanste dek- en ombladen worden op bobines (rollen vitrage-achtige stof) gelegd om, ingevroren, voor de verdere eindverwerking naar Nederland te worden verzonden. In Nederland worden de bobines in koelcellen bewaard waarna ze, in ontdooide toestand, op de compleetmachines geplaatst kunnen worden om tot complete sigaar te worden verwerkt.

De op deze wijze geproduceerde sigaar zal tenslotte nog een aantal nabewerkingen kunnen c.q. moeten ondergaan, waaronder:

- Matteren: om ook minder fraai tabaksblad als dekblad te kunnen gebruiken, werd de sigaar in het verleden vaak van een dun laagje tabakspoeder voorzien. Aangezien de consument zich tegenwoordig steeds minder aantrekt van kleurverschillen e.d., wordt deze techniek op dit moment nog maar weinig door Nederlandse fabrikanten toegepast;

- Modelpersing: de nog vochtige sigaren hebben een rond model en zien er qua vorm nog niet zo aantrekkelijk uit. Om een betere vorm te krijgen worden de sigaren door middel van pers-snijmachines geperst en in de juiste vorm gesneden;

- Drogen: voordat de sigaren worden verpakt worden ze in droogkasten gedroogd;

- Ringen, banderolleren en verpakken: in het verleden werden vaak sierringen op de sigaar aangebracht. Hoewel deze versiering tegenwoordig nauwelijks meer wordt toegepast, wordt in het laatste hoofdstuk toch nog even stilgestaan bij de rol van het sigarenbandje. Nadat de sigaar is verpakt, moet er voor een groot aantal landen nog een aantal bewerkingen worden uitgevoerd zoals het aanbrengen van stickers of banderollen of het cellofaneren van verpakkingen.

Tenslotte zal de verpakte sigaar door de afdeling expeditie naar zijn bestemming worden verstuurd.


N.V.S. Home    E-mail N.V.S.