De Nederlandse sigaar

De Nederlandse sigaar wordt gekenmerkt door een melange van tabakssoorten uit streken als Braziliƫ, Havana, Java en Sumatra. De Nederlandse sigaar bestaat in het algemeen uit een drietal onderdelen, te weten het binnengoed, het omblad en het dekblad. Het binnengoed vormt 'de body' van de sigaar, en bestaat uit een mengsel van kleine stukjes tabaksblad van soms wel meer dan 10 verschillende soorten tabak (de zogenaamde 'melange'). Alle soorten leveren hun eigen bijdrage aan het mengsel, en worden zorgvuldig in bepaalde verhoudingen door elkaar heen gewerkt tot een gelijkmatig samengesteld melange. De melange van tabakken bepaalt uiteindelijk de geur, smaak, brandbaarheid en het aroma van de sigaar. Het binnengoed van de sigaar wordt bijeen gehouden door een reep tabaksblad, genaamd omblad. Het omblad moet zowel stevig als soepel zijn, om het binnengoed te kunnen bundelen en de sigaar goed te kunnen vormen. Binnengoed dat met een omblad omwikkeld is noemt men ook wel bosje of wikkel. Het dekblad tenslotte is een smalle strook van de fijnste tabak die spiraalsgewijs om het bosje gewikkeld wordt. Aangezien het dekblad de buitenkant van de sigaar vormt moet het volkomen gaaf zijn om geen lucht te kunnen doorlaten. Bovendien moet het een egale, bruine kleur hebben en qua smaak en aroma zijn afgestemd op de rest van de sigaar. Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist voor het dekblad de beste tabakken worden gebruikt.

Latijns Amerikaanse sigaren worden in het algemeen met de hand gemaakt en hebben een heel andere samenstelling dan de Nederlandse sigaar. Het binnengoed van deze sigaren bestaat namelijk uit lange dunne stroken tabak die in de lengterichting van het bosje liggen (de zogenaamde 'long-fillers').